Vliegenbestrijding
De eigenaar, huurder of gebruiker van een terrein is verantwoordelijk
voor de bestrijding van voor planten en dieren schadelijke organismen op dat
terrein. Het document Vlarem II (reglementering betreffende de milieuvergunning)
vermeldt dat iedere vergunde veehouder doeltreffende maatregelen moet treffen
om ongedierte zoals insecten, ratten en muizen te voorkomen.
Vliegenbestrijding
- De belangrijkste vliegensoorten in en rond de stal
Vliegen in de stal kunnen fungeren als overdragers van ziektekiemen én veroorzaken
onrust en hinder aan het vee.
De huisvlieg
(musca domestica):
De huisvlieg is veruit de meest voorkomende vlieg in en rond alle
types van stallen. De volwassen huisvlieg voedt zich met voedselresten,
ze steekt niet.
De huisvlieg heeft een enorme reproductiecapaciteit. In optimale
condities zou één vrouwelijke huisvlieg over een tijdspanne
van 3 maanden voor een nakomelingenschap van 21,6 miljoen vliegen en 27
miljard nog niet uitgekomen eieren kunnen zorgen. Tijdens de warmere perioden
van het jaar duurt de ontwikkeling van ei tot volwassen vlieg gemiddeld
2 tot 3 weken. In verwarmde stallen gaat de reproductie het ganse jaar onverminderd
door. Larven zijn ongeveer 1 cm lang en wit en zitten in de vochtige delen
van de broedplaatsen, de roodbruine tonvormige poppen zitten in de drogere
oppervlakkige delen.
Mest en rottende voedselresten zijn uitstekende broedplaatsen. Bij
een overlast van huisvliegen moeten steeds de broedplaatsen opgezocht en
opgeruimd worden. Omwille van het gemak waarmee deze vliegensoort resistentie
opbouwt worden insecticiden best niet systematisch gebruikt (zie verder).
De huisvlieg voedt zich niet op de dieren, een behandeling van de dieren
met een insecticide is dan ook overbodig.
De stalvlieg
(Stomoxis Calcitrans):
Wanneer de buitentemperatuur daalt dringt deze vlieg soms tijdelijk in
de stallen binnen. Wanneer er geschikte broedplaatsen in de stal aanwezig
zijn kunnen deze vliegen ook continu in de stal voorkomen. De broedplaatsen
zijn rottend plantaardig materiaal al of niet gemengd met mest zoals
ingestrooide paarden- of kalverstallen, rottend hooi, mesthopen, rottend
gras onder koeienvlaaien
Bij onweerachtig weer komen deze vliegen
ook in huis.
De stalvlieg voedt zich met bloed, het is dus een steekvlieg. Iedere
individuele vlieg komt 1 à 2 maal per dag gedurende ongeveer 15 minuten
zich voeden op het dier. Ze prefereert runderbloed, maar ook de mens kan
gestoken worden.
De
kleine kamervlieg (Fannia canicularis):
Deze vlieg komt vooral voor in varkensstallen, vooral wanneer er
heel vloeibaar aal in de mestputten zit. De larven hebben een typisch gesegmenteerd
stekelig uitzicht.
De roofvlieg
of drijfmestvlieg (Ophyra aenescens):
Deze vlieg werd herhaaldelijk opgemerkt in kalvermesterijen. Het
zijn trage weinig actieve vliegen die iets kleiner zijn dan de huisvlieg.
Ze zitten bijna uitsluitend op de stalmuren en veroorzaken daarom geen hinder
aan dier of mens. Temeer omdat hun larven de larven van de huisvlieg opeten
hoeven deze vliegen niet bestreden te worden. De poppen van deze vlieg wordt
zelfs verkocht als biologisch bestrijdingsmiddel voor de huisvlieg
(zie verder).
Allerhande kleine vliegjes zoals de fruitvliegjes
(Drosophilidae):
De vliegjes kunnen soms zeer talrijk in stallen aanwezig zijn. Ze voeden
zich met en leggen hun eieren in rottend voer. Ze vertonen vaak resistentie
tegen insecticiden.
Rattenstaartlarven:
In de lente kunnen rattenstaartlarven massaal vanuit de mestput de stal
verlaten. De volwassen vlieg, de zweefvlieg (Eristalis tenax), verlaat de
stal en vormt dus geen probleem.
Terug
- De belangrijkste vliegensoorten op de weide
Vliegen kunnen het vee op de weide en omwonende mensen behoorlijk lastig
vallen. Buiten de stal verschijnen de eerste vliegen in het voorjaar, vanaf
de eerste warme dagen. We onderscheiden steekvliegen die bloed zuigen en
kopvliegen die zich voeden
met mest, aas, dierlijk secreet… Sommige vliegen leggen hun eieren in verse
mest of op de grond, anderen in de vacht van het vee.
De stalvlieg en kleine steekvliegjes:
Deze vliegen kunnen soms in massale hoeveelheden voorkomen op het vee.
Meer dan 50 stalvliegen of 200 kleine steekvliegjes op één
koe kunnen oorzaak zijn van een ondermaatse vlees- of melkproductie. Sommige
kleine steekvliegjes zitten continu op één dier en volgen
dit dier als een "vliegenwolk", anderen verlaten 's nachts hun
gastheer.
Culicoïdes vliegjes:
Deze vliegjes veroorzaken, ter hoogte van de manen, "zomereczeem"
bij paarden.
Lucilia sericata:
Dit is de vlieg die "miasis" veroorzaakt bij het schaap.
Ze zet haar eieren af in een wonde of de bevuilde vacht. De uitgekomen larven
ondermijnen de huid waardoor grote stinkende wonden ontstaan met vaak sterfte
van het schaap tot gevolg.
De schapenluisvlieg (Melophagus ovinus):
Dit is een vleugelloze bloedzuigende vlieg. Schapen kunnen erg verzwakken
wanneer ze geparasiteerd worden door deze vlieg.
De
zomerwrangvlieg (Hydrotaea irritans) en de herfstvlieg (Musca autumnalis):
De zomerwrangvlieg is de overdrager van de ziektekiem (Actinomyces
pyogenes) die "zomerwrang" veroorzaakt. Het is een besmettelijke
vorm van uierontsteking bij koeien. In de zomer op de weide zien we deze
vliegjes rond de uier en de spenen waar ze zich voeden met melkrestjes.
De herfstvlieg is de overdrager van de ziektekiem (Moraxella bovis)
die "pinkeye" veroorzaakt. Het is een besmettelijke vorm
van oogontsteking bij koeien. Vooral in de herfst zien we deze vliegen rond
de kop en de ogen waar ze zich voeden met slijm en traanvocht.
De bestrijding van deze vliegen is vaak niet 100% effectief. De vliegjes
reizen namelijk van de ene koe naar de andere en van de ene weide naar de
andere. Bij het gebruik van pour-on middelen tegen zomerwrang zal de concentratie
van het insecticide rond de uier vaak te laag blijven. Vaak zal het, tegen
pinkeye aangebrachte insecticide, rond de ogen weggewassen worden door tranenvloei.
Terug
- De sanitaire bestrijding
In verwarmde stallen kunnen vliegen zich het ganse jaar door vermenigvuldigen.
Met een goede algemene hygiëne in en rond de dierenverblijven,
het ganse jaar door, voorkóm je dat er broedplaatsen voor vliegen
ontstaan, m.a.w. dat de vliegen zich kunnen voortplanten.
Belangrijke vliegenoverlast in een veeteeltbedrijf duidt steeds op fouten
in de bedrijfsvoering!
Denk vooral aan:
- het opruimen van afval,
- het bewaren van afval in gesloten recipiënten,
- het wegruimen van uitwerpselen,
- het dagelijks grondig reinigen, vooral rond voederbakken, in voederopslagplaatsen
,
aangekoekte mest en voer vormen vaak ideale broedplaatsen.
- het afdekken van silovoeders,
- het dichten van gaten en kieren in vloeren, wanden
Hoe kan je voorkomen dat opgeslagen mest een ideale broedplaats wordt
voor vliegen?
- Vermijdt korstvorming op mengmest: mengmest regelmatig omroeren of tijdig
weghalen.
- Houdt vaste mest droog: gebruik eventueel ventilatoren in diepe mestputten
en over transportbanden. Gebruik eventueel houtzaagsel i.p.v. stro. Sijpelt
er geen grond- of regenwater in de mestput? Zijn er geen lekken in de drinkwaterleidingen?
- Dek mesthopen toe, hierdoor wordt de temperatuur erin te hoog om nog
als broedmedium te fungeren.
- Ploeg de mest, die werd uitgereden op het land, onmiddellijk en diep
genoeg onder.
Terug
- De biologische bestrijding
Met biologische bestrijding bedoelt men het gebruik en in stand houden van
de natuurlijke vijanden van de vlieg.
- Mest die lange tijd wordt opgeslagen en die voldoende droog wordt gehouden
bevat veel mijten en kevers die zich voeden met o.a. vliegenlarven.
Larviciden op basis van organofosfaten (zie verder) doden deze natuurlijke
vijanden en kunnen dus best vermeden worden.
- Om problemen van de chemische bestrijding te minimaliseren wordt er de
laatste jaren ook gebruik gemaakt van de roofvlieg of drijfmestvlieg
in de bestrijding van de huisvlieg. De larven van de roofvlieg eten de larven
van de huisvlieg op. Poppen van deze vlieg kunnen aangekocht worden. Soms
heeft de roofvlieg zich op natuurlijke wijze in de stal geïnstalleerd
(kalverstallen), het gebruik van sproeimiddelen of larve-dodende middelen
zijn dan tegenaangewezen.
Terug
- De fysische bestrijding
Tot de fysische bestrijdingsmiddelen behoren elektrische insectenverdelgers,
reuzenvliegenvangers en vliegenvangers met kleefstof.
Veestallen zijn doorgaans vrij stofferig zodat deze middelen zeker niet toerijkend
zijn om als enige bestrijdingsmiddel de vliegenpopulatie onder controle te
houden. Omdat deze middelen alle vliegen vangen, zowel de voor een insecticide
gevoelige als ongevoelige vliegen, is het gebruik ervan zeker aan te raden
maar dan in combinatie met andere bestrijdingsmiddelen.
Terug
- De chemische bestrijding: insecticiden
6.1. Het gebruik van insecticiden
Insecticiden zijn enkel een hulpmiddel in de vliegenbestrijding. Zonder een
goede algemene hygiëne (sanitaire bestrijding) zal een vliegenbestrijding
met insecticiden steeds falen!
Bij het gebruik van insecticiden is het belangrijk niet enkel de volwassen
vliegen, maar ook de maden of vliegenlarven te bestrijden. Het
bestrijdingsplan voor volwassen vliegen is verschillend van dat voor vliegenlarven;
verschillende plaatsen, producten, behandelingswijze- en frequentie.
- Vliegenlarven dien je te bestrijden vanaf enkele weken vóór
de te verwachten vliegenoverlast (vroege lente). Je brengt het larvicide
(insecticide voor het verdelgen van vliegenlarven) aan op mogelijke broedplaatsen:
dit zijn de plaatsen waar mest, stro, voedselresten
ongeroerd blijven
liggen, zoals onder en rond voederbakken, dicht bij de muren van een hok,
in spleten en goten, op voederopslagplaatsen, eventueel op de mestkorst
in de mestkelder, op mesthopen
- Adulticiden (insecticiden voor het verdelgen
van volwassen vliegen) gebruik je pas bij vliegenoverlast. Je brengt
het aan op de rustplaatsen van de vliegen: stalmuren, zoldering,
vensterbanken, hokwanden, eventueel op de dieren zelf
Er zijn veel verschillende soorten producten in de handel: sproeimiddelen,
aërosol, strijkmiddelen, strooimiddelen, aasmiddelen, pour-on middelen… Voor
het gebruik (methode, concentratie, frequentie) volg je de instructies van
de fabrikant.
6.2. Resistentie tegen insecticiden
Bij het gebruik van insecticiden moet men steeds trachten resistentievorming
te voorkomen.
Resistentie is een groot probleem bij het gebruik van insecticiden. De
vliegen worden ongevoelig voor het insecticide en blijven vrolijk voortbestaan
ondanks zware inspanningen van de bestrijder!
Enkele vliegen kunnen toevallig ongevoelig zijn voor het gebruikte insecticide.
Dit zijn resistente vliegen. Resistentie is een erfelijke eigenschap. De nakomelingen
van de resistente vliegen zullen dus ook minder gevoelig zijn. De ontwikkeling
van een resistente vliegenpopulatie is in een vroeg stadium nog omkeerbaar
indien de selectiedruk verdwijnt d.w.z. wanneer de bestrijding met het betrokken
insecticide stopt, kan de vliegenpopulatie zijn oorspronkelijke gevoeligheid
voor dit insecticide herwinnen.
Blijft men echter het betrokken insecticide doorgebruiken dan zal het aandeel
resistente vliegen per volgende generatie steeds toenemen. Na enige tijd wordt
de resistentie onomkeerbaar d.w.z. zelfs wanneer men stopt met het
gebruik van het betrokken insecticide, zullen er toch steeds een aantal resistente
vliegen overblijven.
Daarom gaat men best, bij de eerste tekenen van verminderde gevoeligheid,
over op het gebruik van een insecticide met een andere actieve stof.
Vooral de huisvlieg staat bekend voor een snelle resistentievorming.
Insecticiden moeten daarom met enige voorzichtigheid en deskundigheid toegepast
worden!
Terug
Tips om resistentie te voorkomen:
- Combineer verschillende bestrijdingsmethoden. Eerst en vooral goed
opruimen en reinigen, dan het gebruik van insecticiden combineren met andere
bestrijdingsmiddelen zoals elektrische insectenverdelgers, reuzenvliegenvangers
en vliegenvangers met kleefstof.
- Beperk het aantal bestrijdingsbeurten met adulticiden. Gebruik
ze enkel bij overlast en zeker niet frequenter dan voorgeschreven door de
fabrikant. Probeer niet de laatste vlieg te doden, dit is immers onmogelijk.
- Verdelg niet alleen volwassen vliegen, maar ook de vliegenlarven.
Door beiden te verdelgen doorbreek je de levenscyclus
eitje-larve-pop-vlieg. De kans dat zowel de volwassen vlieg als haar larven
resistentie vertonen tegen de gebruikte insecticiden is bijzonder klein.
- Verkies kortwerkende insecticiden boven langwerkende. Deze vertonen
minder snel resistentievorming. De meeste spuitbussen bevatten kortwerkende
insecticiden. De meeste sproeimiddelen zijn langwerkend en worden best zoveel
mogelijk vermeden.
- Verkies aasmiddelen boven sproeimiddelen. Aasmiddelen geven in
het begin minder spectaculaire resultaten maar vertonen minder snel resistentievorming.
- Verkies insecten-groei-regulatoren boven andere larviciden. Er
is weinig kruisresistentie met de klassieke insecticiden.
- Verander regelmatig van product. Let wel op, insecticiden van een
verschillend merk (verschillende naam) kunnen hetzelfde product (actieve
stof) bevatten! Zo bevatten bijvoorbeeld meerdere sproeimiddelen allemaal
dezelfde actieve stof "permethrine".
6.3. Insecticiden
Producten voor gebruik in de stal :
|
Toepassingswijze
|
Voorkomende actieve bestanddelen
|
opmerking
|
Adulticiden
(insecticiden die de volwassen vliegen doden)
|
|
Aasmiddelen
(maaggiften)
|
Bevatten organofosfaten of carbamaten. (trichloorphon, azamethiphos,
propetamphos, methomyl) |
Sommige specialiteiten bevatten ook tricoseen. Dit is een lokstof. |
| Sproeimiddelen: |
Bevatten organofosfaten of langwerkende pyrethroïden.(fenthion,
diazinon, fenitrothion, dimethoaat, trichloorphon, permethrine, bioallethrin,
peperonylbutoxide, cyfluthrine, cyhalothrine, deltamethrine) |
Sommige specialiteiten combineren meerdere actieve bestanddelen. |
|
Aërosolmiddelen
(verneveling met spuitbus of aërosolgenerator)
|
Bevatten kortwerkende pyrethroïden.(pyrethrine) |
Kortwerkend ! |
|
Larviciden
(insecticiden die de vliegenlarven doden)
|
| Sproeimiddelen |
Bevatten organofosfaten.(trichloorphon) |
|
| Insecten-groei-regulatoren ! |
Bevatten diflubenzuron, triflumuron, cyromazine. |
|
|
Om de selectiedruk en daaruit voortvloeiend de resistentie
zo laag mogelijk te houden verkiest men best aasmiddelen, aërosolmiddelen
en insecten-groei-regulatoren boven andere insecticiden.
|
Producten voor gebruik op het vee:
|
Toepassingswijze
|
Voorkomende actieve bestanddelen
|
opmerking
|
| Oorplaatjes |
Bevatten organofosfaten en pyrethroïden.(cypermethrine, permethrine,
tetrachloorvinphos, propethamphos) |
|
| Pour-on |
Bevatten pyrethroïden.(deltamethrine, Lambdacyhalotrine, cyhalotrine,
permethrine, cyfluthrine) |
|
| Sproeimiddelen |
Bevatten pyrethroïden. |
Sommige specialiteiten bevatten ook citronella.Dit is een lokstof. |
Terug
|