Aantonen van antistoffen
ELISA (Enzyme-Linked
Immunosorbent Assay):
ELISA-testen zijn over het algemeen betrouwbaar voor
het testen van groepen van dieren, doch kunnen problemen geven bij de beoordeling
van individuele dieren (vals positieve en/of vals negatieve).
De resultaten worden weergegeven als negatief, positief en niet-interpreteerbaar
(NI), of als OD-waarden of S/P-waarden.
POS = aanwezigheid van antistoffen. De aanwezigheid van antistoffen kan het
gevolg zijn van infectie, vaccinatie of maternale immuniteit.
OD-waarde, S/P-waarde = intensiteit van de kleurreactie in routinematig gebruikte
ELISA-testen. De verschillen in kleurintensiteit kunnen een indicatie geven
over de hoeveelheid aan antistoffen, doch ze kunnen geenszins vergeleken worden
met een titer!
HI (haemagglutinatie-inhibitie):
De resultaten worden weergegeven onder vorm van een
titer.
TITER = omgekeerde van de serumverdunning waarin nog antistoffen aan te tonen
zijn met de desbetreffende test. De titer zegt iets meer over de concentratie
aan antistoffen.
ER IS GEEN CORRELATIE TUSSEN EEN ANTISTOFTITER EN DE GRAAD VAN BESCHERMING !!
Seroconversie:
Men spreekt van seroconversie als er tussen het pre-
en postserum van hetzelfde dier een viervoudige of hogere titerstijging is,
of als het resultaat van "neg" naar "pos" omslaat.
Bij seroconversie kan men besluiten dat het dier rond de eerste bloedname (her)besmet
werd. Komt een titerstijging voor bij het merendeel van de onderzochte dieren,
dan kan aangenomen worden dat het desbetreffende agens (mede-) verantwoordelijk
was voor de problemen die optraden kort vóór de eerste staalname.
Een seroconversie kan echter ook het gevolg zij van een subklinische infectie
of van een vaccinatie!
Terug
|